MOB-versie | Naar grote versie



overzicht

In het Duits hebben lidwoorden etcetera verschillende uitgangen. Dat hangt af van:

  • de functie in de zin
    (bijvoorbeeld onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp)
  • welk voorzetsel er voor staat
    (Voorzetsels gaan altijd met een bepaalde naamval: + 2, +3, +4 of +3/4. Kijk bij het onderdeel voorzetsels!)

 

1e naamval - onderwerp/hij
Het onderwerp staat in de 1e naamval (Nominativ).

  • Der Mann lacht.
  • Die Frau lacht.
  • Das Kind lacht.
  • Die Menschen lachen.

Tip:

Vind je begrippen als 'onderwerp' en 'lijdend voorwerp' lastig, dan kun je ook de volgende regel toepassen:

  • hij = onderwerp
  • hem = lijdend voorwerp
  • aan/voor = meewerkend voorwerp

Je kunt deze regel ook toepassen bij vrouwelijk, onzijdig en meervoud. Dan geldt 'hij' of 'hem' voor het vrouwelijke, onzijdige of meervoudwoord. Net als in advertenties waarin een secretaresse m/v gevraagd wordt.

 

Der Mann lacht.

Hij lacht.

Ich sehe den Mann.

Ik zie hem.

Ich gebe meiner Mutter einen Kuss.

Ik  geef aan mijn moeder een kus.

Sie schenkt ihrer Schwester Blumen. Ze geeft haar zus bloemen (cadeau).

 

 

Het zinsdeel dat het onderwerp nader bepaalt, staat ook in de 1e naamval. (Het werkwoord is dan een koppelwerkwoord.)

 

Heinz ist der Chef.

Heinz bleibt der Chef.

Ulla ist eine schöne Frau.

Ulla wird eine schöne Frau.

 

 

2e naamval - bezit/van (Genitiv)

De 2e naamval gebruik je als je een bezit aangeeft met ‘van’.

  • Das Haus meiner Eltern ist klein.
  • Das ist das Moped meines Freundes.

 

3e naamval - meewerkend voorwerp/aan of voor tussenvoegen (Dativ)

Het meewerkend voorwerp staat in de 3e naamval.

  • Er gibt seiner Freundin ein Geschenk.

Tip:
Vóór het meewerkend voorwerp kun je meestal 'aan' of 'voor' zetten of denken, het staat er in het Duits dus niet :

  • Hij geeft zijn vriendin een cadeau (hij geeft een cadeau aan* zijn vriendin).

In dit type zin is de 'persoon' vrijwel altijd meewerkend voorwerp een het 'voorwerp' is lijdend voorwerp.

(*Uitzonderingen: werkwoorden met een vaste 4e naamval: Ich frage dich.)

 

Tijdsbepalingen met een voorzetsel hebben altijd* de 3e naamval:

  • seit einer Woche, in einem Montag, am Sonntag.

* Een enkele uitzondering die niet vaak in een vervoegde vorm voorkomt is 'bis':

Das Angebot galt bis diesen Monat.

 

 

4e naamval - lijdend voorwerp/hem (Akkusativ)

Het lijdend voorwerp staat in de 4e naamval.

  • Das Mädchen liebt den Jungen.
  • Der Mann liest das Buch.

Een tijdsbepaling zonder voorzetsel staat altijd in de 4e naamval.

  • Ich gehe fast jeden Sonntag in die Kirche.

 

In het Duits is er een aantal werkwoorden met een vaste naamval.

Met name met de 3e naamval:

  • Ich gratuliere dir.
  • Er hilft ihr.
  • Wir glauben ihm.

 

Volgorde in overzichten:

Het vaakst komen de 1e en 4e naamval voor. Het minst de 2e. De volgorde in overzichtstabellen is hierop aangepast. In alle huidige leergangen Duits gebeurt dat net zo: tabellen hebben ook daar de volgorde 1-4-3-2.

 

mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud

 

1e der die das die

4e den die das die

3e       dem    der   dem   den

2e       des      der   des    der

 

Dit is ook in Duitsland zelf gebruikelijk. Hier de foto van een graffito op een huismuur in Berlijn.

https://d2v01xjmjw73dt.cloudfront.net/api/image/collection/56cce4bc-1eb1-4aba-a662-21675d1b6538/STREAM

 

Hat hier ein verzweifelter Deutschlehrer zur Spraydose gegriffen?


Naamvallen in zinsverband:
Ich schreibe der Tante meines Freundes eine Karte.
  • Ich = onderwerp
  • eine Karte = lijdend voorwerp
  • der Tante = meewerkend voorwerp
  • meines Freundes ('van mijn vriend') = bezit/van: 2e naamval
In zinnen van deze structuur is de persoon vrijwel altijd meewerkend voorwerp.
Het 'ding' is lijdend voorwerp.
Elke zin heeft in principe een onderwerp en vaak een lijdend voorwerp*.
Dus de 1e en de 4e naamval komen het meest voor.
De vorm van woorden in de 1e en 4e naamval is ook vaker hetzelfde:
  • 1e naamval: das kleine Kind - die nette Frau - viele Leute
  • 4e naamval: das kleine Kind - die nette Frau - viele Leute

Bij mannelijke woorden verandert het lidwoord in de 4e naamval wel:
  • der Mann - den Mann
  • ein Mann - einen Mann

(* Behalve als het een zin bestaande uit onderwerp en voorzetselvoorwerp is: Ich springe auf den Tisch. Das Buch liegt im Schrank.)

 

Lang niet elke zin heeft een meewerkend voorwerp.
Let wel op de werkwoorden met vaste 3e naamval.
De 2e naamval komt in tegenwoordig taalgebruik vrijwel alleen in 'bezittelijke betekenis' voor. Er bestaan nog wel enkele werkwoorden met de 2e naamval, met name in juridisch taalgebruik 'Er ist des Diebstahls angeklagt'.





Help | Contact  |  Instellingen  |  


Beter Spellen Beter Rekenen NU Beter Engels NU Beter Duits NU Beter Frans NU Beter Spaans Beter Bijbel



Martin van Toll Producties
in samenwerking met
Fundgrube Deutsch