Wir waren auch dieses Mal in demselben Hotel.
Der Hotelbesitzer ........ uns noch vom vorigen Jahr.

kennen - kannte - gekannt: bekend zijn met, kennen
verleden tijd: er kannte
können - konnte - gekonnt: kunnen (in staat zijn)
verleden tijd: er konnte
kennte: ongebruikelijke vorm aanvoegende wijs van kennen
........ Eingang ist dort hinten.

Der Eingang (hier onderwerp): gang is een stamvorm van het werkwoord gehen-ging-gegangen.
Deze woorden zijn overwegend mannelijk.
Zo ook bijvoorbeeld: der Besuch, der Beruf, der Plan, der Vorschlag, ... Het betreft dus ook woorden die in het Nederlands onzijdig zijn.
Dort hinten: daar achter.
Der Händler fährt jedes Jahr ........ Buchmesse ........ Leipzig.
Naar een persoon, plek of evenement reizen: zu (3e naamval);
zur Oma fahren, zum Markt gehen, zum Musikfestival fahren.
Naar een land/stad reizen: nach Deutschland fahren, nach Berlin reisen.
Die Messe: de uitgang -e wijst op een vrouwelijk woord.
Ich brauche Kleingeld für den Parkautomat.
Können Sie mir den Zehneuroschein ........ ?

wechseln: wisselen (geld)
das Wechselgeld
tauschen: ruilen (bijvoorbeeld een verzamelobject)
(die Plätze tauschen: van plaats wisselen)
umtauschen: omruilen (een aankoop)
tauschen en umtauschen: wordt ook voor valuta gebruikt - Euro in Dollar (um)tauschen
austauschen: vervangen van een onderdeel (das Ersatzteil) / uitruilen
In Duitsland kun je / moet je vaak nog met munten betalen.