MOB-versie | Naar grote versie



Antwoorden van 18-05-2026 (niveau 2)



eerdere test 18 MEI geen latere test beschikbaar
(klik op een pijltje om naar een andere datum te bladeren)


De deelnemers op niveau 2 hebben de test van 18-05-2026 zo ingevuld:



Niemand (was in staat) ........ die Fragen beantworten.

 



kennte
22 % (afgerond)könnte
73 % (afgerond)konnte 
5 % (afgerond)kannte

können - konnte - gekonnt: kunnen, in staat zijn

Niemand konnte Antwort geben.

könnte: zou kunnen (aanvoegende wijs)

 

kennen - kannte - gekannt: kennen, bekend zijn met

Niemand kannte den Mann.

 

Letterlijke vertaling van in staat zijn: in der Lage sein.


Zie ook de pagina dürfen / müssen / sollen / mögen.



Der Deutsche Otto Lilienthal war ........ erste Mensch, der ........ Gleitflug von 250 m machte.

 

           



8 % (afgerond)den, einen
87 % (afgerond)der, einen 
4 % (afgerond)der, einem
1 % (afgerond)dem, eine

Lilienthal war (koppelwerkwoord) der erste Mensch, der ... machte:

dus drie keer 1e naamval.

Der (Gleit)Flug: het woord bestaat uit een (oude) stamvorm van het werkwoord fliegen.

Deze woorden zijn vrijwel altijd mannelijk, hier lijdend voorwerp: Lilienthal machte einen Gleitflug.

 

Hier schrijf je der Deutsche met een hoofdletter omdat de naam onderdeel is van het onderwerp: Lilienthal = der Deutsche.

I.t.t.: der deutsche Erfinder Lilienthal.

Der Deutsche / ein Deutscher: zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord.

 

Lilienthal overleed na een crash met zijn vliegapparaat in 1896.


Zie ook de pagina geslacht.



Auf ........ Tisch liegt ein Heft. 



83 % (afgerond)dem 
12 % (afgerond)den
5 % (afgerond)der

Keuzevoorzetsel auf: 3e of 4e naamval.

Liegen auf geeft een toestand weer (waar?): 3e naamval.

der Tisch: es liegt auf dem Tisch.

Vergelijk: Ich lege (beweging) das Heft auf den Tisch.

 

das Heft: (school)schrift/tijdschrift


Zie ook de pagina met 3e/4e naamval.



Ich brauche Kleingeld für den Parkautomat.

Können Sie mir den Zehneuroschein ........ ?

 



77 % (afgerond)wechseln 
10 % (afgerond)umtauschen
14 % (afgerond)tauschen

wechseln: wisselen (geld)

das Wechselgeld

 

tauschen: ruilen (bijvoorbeeld een verzamelobject)

(die Plätze tauschen: van plaats wisselen)

umtauschen: omruilen (een aankoop)

tauschen en umtauschen: wordt ook voor valuta gebruikt - Euro in Dollar (um)tauschen

austauschen: vervangen van een onderdeel (das Ersatzteil) / uitruilen

 

In Duitsland kun je / moet je vaak nog met munten betalen.


Zie ook de pagina lastige werkwoorden.



TOTAALRESULTAAT:
80% goed

Uitleg van de kleuren en symbolen:
GOED GEKOZENhet juiste antwoord (door jou gekozen)
FOUT GEKOZENeen fout antwoord (door jou gekozen)





Help | Contact  |  Instellingen  |  


Beter Spellen Beter Rekenen NU Beter Engels NU Beter Duits NU Beter Frans NU Beter Spaans Beter Bijbel



Martin van Toll Producties
in samenwerking met
Fundgrube Deutsch