Die Fußballerin (raakt) ........ den Ball mit einer solchen Wucht, dass der Torpfosten fast (omvalt) ........ .

treffen en fallen: sterke werkwoorden met -e- en -a- veranderen naar -i(e)- en -ä-
ich treffe - du triffst - er trifft
ich falle - du fällst - er fällt
der Torpfosten: doelpaal
die Wucht: kracht, hevigheid
Ook spreektaal voor geweldig, een topper: Das ist eine Wucht!
foto: dpa
Der Einbrecher bekam ........

Der Lohn bestaat uit de stam van het werkwoord lohnen,
hier lijdend voorwerp: seinen Lohn.
der verdiente Lohn: 1e naamval geen -n
Dat geldt voor alle woorden in de 1e naamval na der, die, das, dus ook voor vrouwelijk en onzijdig.
den verdienten Lohn: 4e naamval mannelijk
afb. dreamstime
(Het schilderij hangt boven de deur.)
Das Gemälde hängt ........ der Tür.

über (voorzetsel 3e of 4e naamval) = boven of over
Hier 3e naamval: es hängt (rust) über der Tür.
Het voorzetsel geeft aan wat de ruimtelijke relatie is tussen het schilderij en de deur.
Oben betekent ook boven maar is geen voorzetsel maar een bijwoord: Das Buch liegt oben (boven). Das Buch liegt unten (beneden).
Hier wordt dus niet aangegegeven dat het boek zich ten opzichte van iets anders bevindt.
I.t.t.: Das Buch liegt unter dem Kissen.
neben (voorzetsel) = naast
auf (voorzetsel) = op
Een betekenis van der Antrag is ........ .
Einen Antrag bei der Gemeinde einreichen: een aanvraag indienen voor bijv. een parkeervergunning. Werkwoord: beantragen.
Ook aanzoek: der Antrag (letterlijk een verzoek(schrift) an jemanden 'herantragen'). Sie macht ihm einen Heiratsantrag (huwelijksaanzoek).
aanvraag (verzoek om informatie): die Anfrage
aanvaarding: die Akzeptanz
aanbieding: das Angebot