........ April war ........ Jahr ungewöhnlich warm und trocken.
De namen van jaargetijden zijn mannelijk:
der Frühling, der Sommer, der Herbst, der Winter.
das Jahr - dieses Jahr (1e en 4e naamval)
Een tijdsbepaling (Wanneer? Hoe lang?) zonder voorzetsel staat in de 4e naamval.
Het Duitse woord voor (wiet) blowen is ........ .
(der) Kif: bloemtop van de hennepplant
(an)baggern: versieren/flirten
bolzen: balletje trappen; der Bolzplatz: voetbalveldje
brutzeln: (eten) pruttelen / potje koken
Ich brutzele mir was aus Resten zusammen.
Ich kann nicht kommen; ich bin (namelijk) ........ krank.

namentlich: met name, in het bijzonder
namentlich nennen: bij de naam noemen (bijvoorbeeld mensen per beurt oproepen)
De andere vorm bestaat niet.
Mich hat's voll erwischt: Ik heb het goed te pakken.
Welke zin verwoordt een sterke afkeer?
Das ist ätzend (bijtend als bijvoorbeeld zoutzuur): geeft een duidelijk negatief oordeel over een bepaalde zaak.
Het is dus geen uitroep van verbazing/twijfel zoals
'Das kann doch nicht wahr sein' en 'Das ist nicht dein Ernst': 'Dat meen je niet, dat is toch niet serieus bedoeld?'
Das ist eine Wucht: dat is een geweldige topper!