Sie sorgt gut ........ kleinen Bruder.

für = voor iets of iemand, ten behoeve van / bedoeld voor, voorzetsel met de 4e naamval.
Ich tue das gern für dich. Ich habe ein Geschenk für meinen Vater.
vor: plaats- of tijdsbepaling - vor dem Haus, vor einer Stunde
Ein vollständiges Besteck besteht aus einem Messer, einem Löffel und ........ .

die Gabel: de vork; een Gabelstapler is een vorkheftruck
die Forke: mestvork
die Gurke: komkommer
der Spachtel: spatel / schraper
Das Besteck besteht aus (+ 3e naamval) einer Gabel und einem Löffel.
Wat is er met jou aan de hand?: ........
Was ist mit dir los: Wat heb je? Wat is er met jou?
Was ist mit: moet aangevuld worden met de 3e naamval, bijvoorbeeld dir / ihm / Ihnen.
Mit dich (4e) is dus nooit correct.
Was ist los?: Wat gebeurt er? Wat is er aan de hand? Dus niet m.b.t. de aangesproken persoon.
Was ist mit deiner Hand?: wat is er met je hand / wat heb je aan je hand?
........ sind Sie?

Sie: onderwerp
Wer?: Nederlands 'wie'?
Wer: vraagt naar het onderwerp (1e naamval). Wer ist am Telefon?
Wen: vraagt naar het lijdend voorwerp, 4e naamval.
Wen haben Sie gesehen? Wen möchten Sie sprechen?
Wem: 3e naamval, vraagt naar het meewerkend voorwerp.
Wem (aan wie) hast du das (lijdend voorwerp) gegeben?
Wie geht es Ihnen? Hoe gaat het met u?
Wie heißen Sie?: Hoe heet u?
Geen correcte zin: Wie sind Sie? = hoe bent u? Wel: Wie sind sie hierher gereist?