Morgen beginnt das Oktoberfest in München.
Es ist ........ Volksfest der Welt.


Das Oktoberfest = das größte Volksfest: beide woorden staan in de 1e naamval.
Das größte Fest: onzijdige woorden hebben in de 1e en 4e naamval dezelfde vorm.
Der Sturmschaden war ziemlich hoch.
........ Versicherung hat ........ Schaden bezahlt.
Die Versicherung: alle woorden met de uitgang -ung zijn vrouwelijk.
Der Schaden: woorden met de uitgang -en zijn overwegend mannelijk, hier 4e naamval.
Wir erhielten (uw) ........ Brief vom 13. September (van dit jaar) ........
der/ein/Ihr Brief
In deze zin lijdend voorwerp, dus 4e naamval: Ihren (uw) Brief.
das Jahr / dieses Jahr (1e en 4e naamval)
van dit jaar: dieses Jahres (2e naamval)
Drie van de onderstaande woorden hebben de betekenis van plaats/plek.
Welk woord heeft een ANDERE BETEKENIS?
Der Zweck [tswek]: de bedoeling, de reden waarvoor je iets doet of waarvoor je iets nodig hebt.
Zu welchem Zweck (mit welcher Absicht) machen Sie das?
Der Ort: algemeen voor plek (buiten), ook: dorp/stadje (denk aan de Nederlandse plaatsen Emmeloord, Heinenoord).
Der Platz: plek / ruimte / plein. Ist hier noch ein Platz frei? Ich habe keinen Platz für einen Schrank. Der Rathausplatz: stadhuisplein.
die Stelle: specifieke plek (binnen en buiten). An dieser Stelle ist ein Unfall passiert;
die Arbeitsstelle / der Arbeitsplatz: baan / werkplek