........ habt ihr zur Party eingeladen?

Onderwerp: ihr (habt eingeladen)
Wen? vraagt naar het lijdend voorwerp (4e naamval).
Wen habt ihr eingeladen? - Wir haben ihn / den Nachbarn / einen Freund eingeladen.
Wer? vraagt naar het onderwerp (1e naamval). Wer kommt heute zu Besuch?
Wie? = hoe?
Het werkwoord blijft in het Duits enkelvoud, ook als naar eventueel meerdere personen gevraagd wordt.
Wie gaan er (allemaal) mee?: Wer geht (alles) mit?
Wie zijn dat? kan niet letterlijk vertaald worden naar het Duits,
wél mogelijk: Wer sind diese Leute?
Was (weet) ........ deine Freundin über das neue Festival?
wissen: onregelmatig werkwoord
ich weiß
du weißt
er/sie/es weiß, die Freundin weiß
wir wissen, ihr wisst.
Na een korte klinker schrijf je -ss-; -ei- geldt niet als kort, dus schrijf je -ß-.
Der Fußgänger klopft gegen die Scheibe und zeigt dem Fahrer den Vogel.
De voetganger tikt tegen het raampje en ........
(aan iemand) jemandem den/einen Vogel zeigen: met de wijsvinger op het eigen voorhoofd tikken betekent iemand voor gek verklaren: Du hast / Sie haben wohl einen Vogel! Du spinnst / Sie spinnen!
om een lift vragen (duimen): trampen / per Anhalter fahren
Zeichen: den Daumen in Fahrtrichtung zur Seite strecken.
Een opgave van K.C. van der Wolf.
Der Bau des Flughafens 'Berlin Brandenburg' hatte sich um Jahre (vertraagd) ........ .

verzögern: vertragen - zögern [tseukern]: aarzelen
die Verzögerung: de vertraging m.b.t. uitstel, niet op tijd klaar zijn
die Verspätung: vertraging m.b.t. te laat zijn/komen
Ich habe mich verspätet.
(sich mit jemandem) vertragen: het met iemand kunnen vinden / het na een ruzie weer goed maken
vertreten: een persoon vervangen / een persoon of organisatie vertegenwoordigen