de mouwen opstropen: ........
der Ärmel - die Ärmel: mouw - mouwen
der Arm - die Arme: arm - armen
aufkrempeln / hochkrempeln: oprollen, opstropen
umkrempeln (spreektaal): veranderen / het onderste boven halen
heben (voorwerpen) / erheben (belasting): heffen
(De economie van Duitsland vertoont op dit moment geen groei.)
Die Wirtschaft Deutschlands zeigt zurzeit ........ .

das Wachstum: groei
werkwoord: wachsen - wuchs - gewachsen
der Nachwuchs: aanwas (nieuwe generatie)
der Wettbewerb: concurrentie
die Bewerbung: sollicitatie
Woorden met de uitgang -tum kunnen mannelijk of onzijdig zijn - der Reichtum, der Irrtum, das Eigentum, das Königtum, ...
........ Religion in ........ Region ist überwiegend protestantisch. Die Kinder gehen ........ Konfirmation.

Die Religion, die Region, die Konfirmation: woorden met de uitgang
-ion zijn vrouwelijk.
in: hier 3e naamval (controlevraag: waar?: in dieser Region)
zur Konfirmation gehen, zur Party gehen, zum Fußballspiel gehen
Naar een evenement gaan combineert met zu.
Die Konfirmation: vormsel, aanneming (kerkelijk protestants: 'evangelisch'). Meestal rond het 14e levensjaar, omstreeks Pasen.
Die Kommunion: (heilige) communie (katholiek), meestal rond het 10e levensjaar, eveneens omstreeks Pasen.
Das Theater ist neben ........ Rathaus.

neben: 3e of 4e naamval.
Het theater is (waar?): vaste situatie, dus 3e naamval, naast het stadhuis.
Neben dem Haus steht ein Baum.
Vergelijk: Stelle (zet) die Tasse neben den Teller. Hier is sprake van beweging en verandering (waarheen?): 4e naamval.
foto: fotocommunity.de Zwickau