Ich gehe jetzt in die Stadt. (Willen jullie) ........ auch mitkommen?
wollen: onregelmatig werkwoord
ich will
du willst
er, sie, es will
meervoudsvormen:
wir wollen / ihr wollt / sie, Sie wollen
Die (verpleegsters) ........ arbeiten im Stadtkrankenhaus.

In het meervoud krijgen de meeste vrouwelijke woorden de uitgang (e)n: die Frau - die Frauen.
Na -r en -l volgt alleen een -n: die Nummern, die Mauern, die Kugeln, die Gabeln, die Regeln.
(De) ........ Umschlag (van het) ........ Buches ist beschädigt.
Der Umschlag (omslag/kaft) is onderwerp.
Woorden bestaand uit de stam van een werkwoord (schlag-en) zijn overwegend mannelijk.
Het voorzetsel van geeft 'bezit' aan, dus 2e naamval: des Buches.
Werden Großeltern in den Niederlanden noch immer gesiezt oder geduzt?
Worden grootouders in Nederland nog steeds ........
siezen: Sie (dus u) zeggen
duzen: du (dus jij/jou) zeggen
Alle familieleden in Duitsland zeggen 'du' tegen elkaar.
In het gebed wordt God eveneens met 'du' aangesproken.
"Vater unser, der du bist im Himmel, geheiligt werde dein Name ....", waarbij katholieken 'Du' en 'Dein' met hoofdletter schrijven.