Hij zei dat hij zou komen: ........ .
Twee zinnen: er sagte + er kommt, verbonden door het voegwoord dass. De komma staat vóór dass.
Woordvolgorde:
In het Nederlands kun je zeggen 'hij zei dat hij zal komen / hij zei dat hij komen zal'.
In het Duits moet de vervoegde werkwoordsvorm in een bijzin altijd aan het einde staan. Hier is dat würde, de aanvoegende wijs voor de 'indirecte rede'.
(Vraag aan een groep jongeren: 'Wie van jullie komen uit Duitsland?')
........ aus Deutschland?

Wer? (1e naamval) = Wie?
van jullie: von (3e naamval) euch
(de 4e naamval van jullie is eveneens euch)
Ook als er naar meerdere personen gevraagd wordt, volgt na Wer? het werkwoord in het enkelvoud.
Wie komen er allemaal mee?: Wer kommt alles mit?
Wen?: vraagt naar het lijdend voorwerp - wen hast du getroffen?
Je bent geïnteresseerd in een jurk in de etalage. Je zegt:
"Ich ........ das Kleid im Schaufenster."

sich interessieren für + 4e naamval
das Kleid: 1e en 4e naamval
interessiert sein an: belang hebben bij
Nach der Schule möchte ich eine Ausbildung machen.
die Ausbildung: ........
Na school wil ik een opleiding volgen. Daarmee wordt een beroepsopleiding bedoeld, meestal via het leerlingstelsel of via een opleidingsschool (mbo-achtig).
de studie: das Studium (alleen voor hoger onderwijs aan een hogeschool of universiteit)
het uitstapje: der Ausflug
de uitbeelding: die Darstellung (in de kunst)