........ du den schönen Regenbogen über ........ See?

ich sehe - du siehst - er/sie/es sieht
sterk werkwoord met -e- verandert in -i(e)
der See - Ich sehe den See.
über dem See: Je kunt vragen waar zie je het?, dan 3e naamval. De regenboog bevindt zich boven het meer.
über = over (richting): 4e naamval
Ich schaue über den Gartenzaun.
der See (zoetwater) = het meer: der Bodensee
die See (zoutwater) = de zee (oceaan): die Nordsee
der (Regen)bogen: uitgang -en duidt op mannelijk woord
foto: Henry Schmitt wikimedia
Er muss sich für ........ Tat vor dem Richter verantworten.

die Tat: hoort bij de groep vrouwelijke woorden die op -t eindigen;
für die Tat: 4e naamval
De meeste woorden afgeleid van de stam van een werkwoord zijn mannelijk (der Rauch, der Beruf, der Besuch, der Tanz).
Enkele zelfstandige naamwoorden met de uitgang -t afgeleid van werkwoorden zijn vrouwelijk: die Arbeit, die Antwort, die Schrift, die Sicht, die Tat (maar: der Rat).
Illustration: Jessy Asmus/SZ
In Oostenrijks Duits is 'de tomaat': ........ .
der Paradeiser komt van 'Paradiesapfel'
der Kardifol: de bloemkool
die Marille: abrikoos
Im Efteling fahren wir immer Achterbahn. Aber meine kleine Schwester (durft niet) ........

iets durven doen: in alledaags Duits sich trauen etwas zu tun
Ich traue mich (nicht).
Taalgrapje bij een trouwerij met de dubbele betekenis van trauen:
'Sie haben sich getraut' (i.p.v. Sie haben geheiratet), dus ze durfden het aan om te trouwen.
Etwas wagen is formeler en met sterkere impact m.b.t. risico's. Het wordt overwegend in een andere context gebruikt, bijv. das Leben wagen, die Flucht wagen, waarbij hetgeen je waagt dus genoemd wordt.
Gezegdes:
Wer nicht wagt, der nicht gewinnt.
Frisch gewagt ist halb gewonnen.
dürfen - ich darf, sie darf, ihr dürft: mogen, toestemming hebben