Der Schnellimbiss auf dem Campingplatz ist geschlossen, aber ........ Dorf gibt es auch ........ Schnellimbiss.
Vertaling van er is:
1 es gibt: gevolgd door de 4e naamval
Es gibt einen Schnellimbiss.
2 es ist: gevolgd door de 1e naamval
Es ist ein Schnellimbiss im Dorf. Im Dorf ist ein Schnellimbiss.
Waar is de snackbar? im Dorf (3e naamval)
Der (Schnell)Imbiss: stam van een werkwoord. Dat zijn overwegend mannelijke woorden.
Den untrainierten Teilnehmern am 4-Tage Marsch taten bald (de kuiten) ........ weh.

die Ferse: hiel
der Oberschenkel: dijbeen
der Unterschenkel: onderbeen, onderdij
die Stirn: voorhoofd
die Wade - die Waden: onderwerp
Es tut mir weh - den untrainierten Teilnehmern: meewerkend voorwerp, 3e naamval (hier meervoud: alle woorden met uitgang -n)
Darf ich dir ein paar Fragen stellen über ........ Fernsehen ?
über: 3e of 4e naamval,
In de betekenis van over in een abstracte toepassing, dus geen plaats- of tijdsbepaling: 4e naamval.
das digitale Fernsehen - digitales Fernsehen (1e en 4e naamval)
het tv toestel: der Fernseher, das Fernsehgerät
Die Renten steigen im nächsten Jahr voraussichtlich um fast fünf Prozent.
........ met bijna 5%.
die Rente: pensioen
opbrengst: der Ertrag
winst: der Gewinn
spaarrente: der Sparzins, die Zinsen
Er bestaat geen AOW in Duitsland die voor iedereen gelijk is. De hoogte van het pensioen hangt af van het aantal gewerkte jaren in combinatie met het verdiende inkomen.
fast = beinahe: bijna