14513 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker
Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie


Voorzetsels | met 3e/4e naamval


In het Duits zijn er ook voorzetsels, waarbij je moet kiezen voor de derde óf de vierde naamval. Ze worden dan ook wel wisselvoorzetsels genoemd.

 

Dat lijkt moeilijker dan het is: 

derde naamval

 

 

Waar?

dezelfde situatie, je kunt een dia maken. 

 

Wanneer? in zinsneden met voorzetsel.

 

vierde naamval  

 

 

Waarheen?

veranderende situatie, je kunt een video maken.

 

Als het werkwoord een richting aangeeft:

auf die Uhr schauen

 

 

Tip:

Het werkwoord is vaak (niet voor 100%!) een indicatie voor de naamval.

'Rustwerkwoorden': sitzen, stehen, wohnen, sein e.d. gaan met de 3e naamval.

'Bewegingswerkwoorden': laufen, sich stellen e.d. meestal de 4e naamval.

LET OP: in de formulering 'jemandem hinterherlaufen' blijft de positie van de 'loper' t.o.v. de 'achtervolgde' gelijk. Geen verandering, dus 3e naamval.

Maar altijd toetsen op het criterium 'vaste of veranderende situatie':

waar? of waarheen?

 

Bij vrijwel alle werkwoorden met plaatsbepalende keuzevoorzetsels kun je in het Nederlands en in het Duits dezelfde controlevragen stellen: Waar - wo? / Waarheen - wohin?

Er zijn twee uitzonderingen: gehören in/auf en passen in.

 

 

Voorzetsels met de 3e of de 4e naamval zijn: 

(zie ook bij: voorzetsels- gebruik/speciaal idioom)

  • an (aan, naar, bij (dingen)
    Das Bild hängt an der Wand.
    Wir werden heute an den See fahren.
    Meine Schwester steht am Fenster.
  • auf (op in een plaatsbepaling)
    Der Junge sitzt auf dem Stuhl.
    Ich stelle die Vase auf den Tisch.
  • hinter (achter)
    Der Wirt steht hinter der Theke.
    Wir werfen einen Blick hinter die Kulissen.
    (alle betekenissen van 'kijken' worden ook als richting -waarheen?- beschouwd. Soms mogen 3e en 4e:  Wo sind die Gläser? – Schau mal im Schrank (ob sie im Schrank sind). Maar ook: Schau mal in den Schrank. MAAR de 4e is het altijd goed.
  • neben (naast)
    Die Garage ist neben dem Haus.
    Stell dich bitte neben deinen Bruder!
  • in (in, naar)
    Ich habe mein Portmonee in der Tasche.
    Wir fahren in die Schweiz.
  • Schau mal im Schrank, ob genug Gläser da sind. (Waar kijk je?: 3e naamval)
  • Sieh mal auf die Uhr (Waarheen kijken? richting, dus 4e naamval)
  • über (boven* = 3, over = 4)
    Die Lampe hängt über (boven) dem Tisch.
    Das Flugzeug ist über (over-erover heen) unser Haus geflogen.
  • unter (onder*) Die Pantoffeln stehen unter dem Bett.
    Lege die Zeitung unter den Farbeimer.
  • vor (voor (plaats), voor (tijd: geleden**)
    Du stehst vor mir. Ich sehe nichts!
    Vor zwölf Jahren** war ich erst acht Jahre alt.(=12 jaar geleden...)
    Du hast ihn vor den Kopf gestoßen mit deiner Nachricht. 
  • zwischen (tussen)
    Das Kind sitzt zwischen seinen beiden Eltern.
    Ich lege das Lesezeichen zwischen die Buchseiten.

oben=boven en unten=onder zijn geen voorzetsels maar bijwoorden (er volgen dus geen verbuigingen)

** tijdsbepalingen met voorzetsels: altijd 3e naamval.


Let op: 

Past de situatie niet op bovenstaande mogelijkheden, dan geldt: 

  • auf en über (in de betekenis 'over'): vrijwel altijd 4e naamval.
  • alle andere voorzetsels uit deze categorie: 3e naamval.

 

Werkwoorden met een vast voorzetsel

Bij de volgende werkwoorden krijgen auf, in en an altijd de 3e naamval: 

 

ankommen in/an/auf  (aankomen in/op)
Ich komme am 11. des Monats in der Türkei an. 

  ändern an (veranderen aan/wijzigen)

  An dieser Sache lässt sich leider nichts mehr ändern.

  bewegen auf (bewegen op)

Die Projektion bewegte sich auf dem Tuch.

erscheinen in/an/auf (verschijnen in/op)

Die Erklärung erscheint auf dieser Website. 
landen auf/an/in (landen op/in)
Der Flieger landet auf der Insel.

  leiden unter (lijden onder)
Das Volk leidet unter dem Diktator.
lesen in/an (lezen in/op)
Das habe ich in einem Buch gelesen.
spielen auf (spelen op)
Die Frau spielte auf der Geige. 
(sich) stören an (zich storen aan)
Ich störe mich an seinem Benehmen.

  teilnehmen an (deelnemen aan)

  Ich nehme an der Sitzung teil.

verschwinden in/hinter/unter (verdwijnen in/achter)
  Die Katze verschwindet hinter der Tür.

  warnen vor (waarschuwen voor)

  Ich habe dich vor ihm gewarnt.

zeichnen auf (tekenen op) 

Das Kind zeichnete auf dem Formular.
zweifeln an (twijfelen aan)
Sie zweifelt an seinenWorten.

 Bij de volgende werkwoorden krijgen auf, in en an altijd de 4e naamval:

 

 achten auf/aufpassen auf (letten op)

Sie achtete auf eine gesunde Ernährung.

 Oma passt auf den Enkel auf.

 aufmerksam machen auf (attent maken op)

 Darf ich Sie auf das Angebot aufmerksam machen?

 sich beschweren/beklagen über (beklagen over)

 Er beschwerte sich über seinen Chef.

 (sich) beziehen auf (betrekking hebben op)

 Wir beziehen uns auf Ihren Brief vom 1. September.

denken an (denken aan)

 Ich denke an dich.

(sich) erinnern an (herinneren aan)

Das erinnert mich an deinen Geburtstag. Ich erinnere dich an den Termin.

 sich freuen auf (verheugen op)

 Ich freue mich auf deinen Besuch.

 sich gewöhnen an (wennen aan)

 Sie gewöhnt sich an die neue Umgebung.
glauben an (geloven in)

Er glaubt an die Menschen.
auf etwas ankommen (ligt aan/komt aan op)
Es kommt auf deine Entscheidung an.

 sich konzentrieren auf (concentreren op)
Sie konzentriert sich auf den Vortrag.
gehören in (horen bij/in)
Der Zettel gehört in dieses Buch. 
grenzen an (grenzen aan)

Deutschland grenzt an die Niederlande. 

 passen in/auf (passen in/op)

Das Foto passt in diesen Rahmen.

schreiben in/an (schrijven in/aan)

Er schreibt  einen Brief an seine Frau.
Sie schreibt alles in ihr Tagebuch.

warten auf (wachten op)
Sie wartet auf den Bus.








Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  Beter Bijbel  Beter Bijbel  

© 2014 - NU Beter Duits is een initiatief van Martin van Toll Producties

in samenwerking met Deutsch macht Spaß